G.4.3 Sluiskolk

Datum vaststelling: 24-10-2022


Definitie

Een sluiskolk is een aan weerszijden afsluitbare dok (bak), waarin door aanpassing van het waterpeil, schepen van het ene op het andere niveau worden gebracht.
(vrij vertaald ) .


Codeerinstructies


Aandachtspunten

Bij het publiceren informatie van kolk dimensies moet rekening gehouden worden met het lokale ontwerp van de sluis. Meerdere vormen komen voor in Nederland die niet altijd goed aansluiten bij de standaard.
Hieronder een theoretisch voorbeeld van een sluiskolk.

In dit voorbeeld worden diverse te coderen attributen weergegeven. Aan de linkerzijde van de kolk is de waterstand dynamisch en aan de rechterzijde een streefpeil.

Aan de linkerzijde is de drempel en liftdeur gecodeerd als lijn, terwijl aan de rechterzijde deze informatie is gecodeerd als vlak. Dit voorbeeld toont verschillende horizontale afmetingen. Zo kan een verschil gecodeerd worden tussen de fysieke kolkbreedte (HORWID) en de door de beheerder vastgestelde schutbreedte (horclw). Ook kan de invaartbreedte van de doorvaartopening (HORCLR van gatcon) gecodeerd worden.
Zo is het ook mogelijk om de fysieke kolklengte (HORLEN) en de door de beheerder vastgestelde schutlengte (horcll) te coderen. Het coderen van de fysieke kolkafmetingen (HORLEN en HORWID) is optioneel. Alleen coderen wanneer bijvoorbeeld de kolkwijdte significant afwijkt van vastgestelde schutbreedte.  *)
Voor het bepalen van de schutlengte en de positie van de stopstrepen zie de Richtlijnen Vaarwegen.

Hoogte- en diepte-informatie
Het zijaanzicht van dit voorbeeld toont blauwe en oranje pijlen. Het verschil is dat de blauwe pijlen de meest veilige waarden voor waterdiepte en onder doorvaarthoogte aangeven, terwijl de oranje pijlen de hoogte ten opzichte van NAP* aangeven.

NAP*: NAP (IES reflev = 3) is geen geldend referentievlak binnen de Inland Ecdis standaard om bijv. waterdiepte te coderen; o.a. voor rivieren zijn OLW, OLR, LAT daar de juiste referentiepeilen voor.
(Zie de tabel met OLR en OLW waarden per kilometer: OLR2012_rkm  en het werkdocument OLW : olw2011BenedenRivieren .)

De hoogte informatie t.o.v. NAP (oranje pijlen) wordt veelal gebruikt bij het proces van aanleg en onderhoud; de informatiebehoefte van scheepvaart (Inland IENC) richt zich op waterdiepte informatie (blauwe pijlen).

In dit voorbeeld ligt de gehele sluis boven NAP, maar in de lagere gebieden in Nederland kan deze drempelhoogte ook beneden NAP liggen.

Informatie over de drempels van een sluiskolk dient op twee manieren te worden vastgelegd, namelijk als drempelhoogte t.o.v. NAP (oranje pijlen) en als waterdiepte op de drempel, ook wel drempeldiepte genoemd (blauwe pijlen).
Aan de linker zijde van het voorbeeld is het referentievlak met MLWS “maatgevend laagwater voor de scheepvaart” gecodeerd (vaak met beneden/buiten aangeduid)  en aan de rechterzijde van het voorbeeld is het streefpeil gecodeerd als referentievlak (vaak met boven/binnen aangeduid).

Toelichting over vaarwater met een streefpeil
Voor kanalen, gekanaliseerde rivier secties en meren zijn streefpeilen vastgelegd waarbij onderscheid gemaakt is tussen soorten peil, zoals “meerpeil”, “boezempeil”, “kanaalpeil”, “stuwpeil”.
Een streefpeil is een door de beheerder nagestreefd peil dat ook is vastgelegd is in de Waterakkoorden.
Een streefpeil kan negatief en positief afwijken door verschillende oorzaken, zoals: seizoensgebonden variaties: zomer- en winterpeil; opwaaiing door wind in de lengterichting van het kanaal; opzet als gevolg van de afvoer van regenwater en translatiegolven als gevolg van het legen van sluiskolken. Een afwijking van het streefpeil kan dus verschillend samengesteld zijn en vormt daarmee een grote onzekerheid bij het bepalen van een onder-doorvaarthoogte of een waterdiepte op de drempel.

Daarom is besloten om op vaarwater met een streefpeil het vastgelegde peil (waterakkoord) te gebruiken als referentiepeil voor het bepalen van een onder-doorvaarhoogte en de waterdiepte op de sluiskolkdrempel.

Voor het coderen van liftdeuren, zie ook Onder doorvaarthoogte informatie in de IENC en paragraaf G.4.5 Sluisdeur.
Een sluis met deelkolken heeft ook een tussendrempel. Voor deze drempel wordt de drempelhoogte t.o.v. NAP vastgelegd. Ook wordt de waterdiepte op de tussendrempel vastgelegd door de kleinste waterdieptewaarde van de buitenste drempels over te nemen. In het voorbeeld is dat de waterdiepte van de linkerzijde (be/bu).

Inland Ecdis standaard 2.5.1 en referentiepeilen
In de huidige Inland Ecdis standaard (IES 2.4) bleek het niet mogelijk om het MLWS en of streefpeil plus de waarde daarvan te coderen bij een sluis. Binnen de editie IES2.5 kunnen deze missende attributen gecodeerd worden:
• vcrlev om MLWS en of streefpeil te duiden, bijv. “OLR 2012” of “stuwpeil Grave”;
• vcrval om de waarde van de betreffende MLWS en of streefpeil te coderen.
De verwachting is dat april 2023 de IES2.5 standaard van kracht wordt.
Dus op dit moment dienen deze twee attributen als tekst in het INFORM attribuut gecodeerd te worden.

Let op
De IENC drukt de dimensie waarden uit in meters (x.xx bijv. 3.15m), terwijl diverse RIS ontwikkelingen (EURIS) de waarden uit drukken in cm (315cm).

Het komt voor dat er voor een sluiskolk wettelijk maximum toegestane afmetingen geldt. In dat geval dient voor deze kolk een Legal ECDIS object gecodeerd te worden.
Zie  Maximum Toegestane Afmetingen

Naam van de sluis
De naam van de sluis of sluis/stuw complex moet met communicatie gebied worden gecodeerd. zie M.4.1 

Het attribute ‘unlocd’ moet zijn ingevuld met de zogenaamde ISRS location code (ISRS, International Ship Reporting Standard). De lijst met beschikbare ISRS-codes , de zogenaamde RIS-index, wordt onderhouden door RWS/CIV
zie ook uitleg ISRSLocation codes & de RIS index in Nederland 

zie ook de Specificaties RISindex

*) In bronsystemen moeten de waarden voor HORWID en HORLEN wel vastgelegd worden!


Objectcodering

lokbsn(A) , C_AGGR()

Door de beheerder (autoriteit) aangegeven maximale kolk dimensies moeten gecodeerd worden met : (M) horcll ; (M) horclw ;
Het attribuut TXTDSC kan gevuld worden met een “facility-file” waarmee de bedieningstijden beschikbaar worden gesteld.


Prioriteit uitgifte updates:
Dynamisch ( 2 uur – 7 dagen) / SemiDynamisch (2 weken-halfjaar) / Statisch (halfjaar-gepland)
Nauwkeurigheid : Grootschalige / Mediumschalige / Kleinschalige Topografie


Bijlagen


Referenties

Definities van objecten en attributen zijn te vinden in de feature catalog IES 2.5

G.4.9 Stuw / waterkering (doorvaartopening)

Datum vaststelling: 24-10-2022


Definitie

Een doorvaartopening van de stuw en/of kering wordt gebruikt het regelen van het waterniveau en/of ter bescherming tegen overstroming .
(vrij vertaald ) .


Codeerinstructies

Let op : Een stuw die niet doorvaarbaar is, wordt als G.4.2. Dam / stuw gecodeerd! (met DAMCON)

Een stuw/kering is vaak onderdeel van een groter kunstwerkcomplex met sluizen. zie  ook G.4.3 Sluiskolk

Het sluis en stuwcomplex Belfeld


Aandachtspunten

De kering kan met feature gatcon als lijn (L) gecodeerd worden. Dit is vooral zinvol wanneer de waterdiepte informatie op de drempel niet afwijkt van de waterdiepte informatie van het vaarweg of kanaal-pand.

Wanneer de waterdiepte op de drempel bepalend is voor de doorvaart, dan zal de gatcon als vlak (A) gecodeerd moeten worden met DEPARE.

Hoe om te gaan met referentiepeilen zie paragraaf G.4.3 Sluiskolk.

Zie voorbeeld ” werken met OLR ” bij Sluis Weurt paragraaf G.5.4 Sluisdeur.

Het attribute ‘unlocd’ moet zijn ingevuld met de zogenaamde ISRS location code (ISRS, International Ship Reporting Standard). De lijst met beschikbare ISRS-codes , de zogenaamde RIS-index, wordt onderhouden door RWS/CIV.
zie ook uitleg ISRSLocation codes & de RIS index in Nederland


Objectcodering

gatcon (A,L) , C_AGGR()

(M) CATGAT = [2 (flood barrage gate)]
(M) HORCLR = [xx.x] (metres), e.g., 34.2 (doorvaartwijdte)
(C) VERCLR = [xx.xx] (metres) (doorvaarthoogte)
TXTDSC voor bedieningstijden
wtwdis (kilometrering) Voor het invullen van wtwdis wordt de waarde van het hectometerveld uit de ISRS locationcode gebruikt; wel even door 10 delen!

Met de C_AGGR feature dient de bij de stuw horende objecten, met name de schutsluis, aan elkaar gekoppeld te worden. Zo ontstaat een kunstwerkcomplex. Het C_AGGR object bevat het attribuut unlocd waarin de ISRScode geplaatst worden. Deze ISRScode heeft volgens de RIS Index Encodingguide de functie code “lokare”


Prioriteit uitgifte updates:
Dynamisch ( 2 uur – 7 dagen) / SemiDynamisch (2 weken-halfjaar) / Statisch (halfjaar-gepland)
Nauwkeurigheid : Grootschalige / Mediumschalige / Kleinschalige Topografie


Bijlagen

Objectbeschrijving van sluis & kering Heumen
Deze objectbeschrijving is als voorbeeld opgenomen om te laten zien dat  met de bril van de assetmanager en/of van de operator de informatiebehoefte af kan wijken ten aanzien van de vereiste IENC informatie. Voorbeeld van verschil is het gebruik van NAP als referentievlak. Er zijn natuurlijk ook overeenkomsten! Beschrijvingen van horizontale afmetingen, waaronder maximale toegestane afmetingen zouden geen verschil moeten kennen met de IENC informatie.

Herkenbaarheid stuw onder brug
N.a.v. de aanvaring van de stuw Grave is de herkenbaarheid van de stuw onder de brug aangekaart.  Internationaal zijn de opgedane ervaringen gedeeld via  deze presentatie  IEEG May 2018 Encoding Complex situations v5


Referenties

Wikipedia: Stuw

YouTube  openen (strijken) stuw Sambeek

M.4.1 Communicatie gebied

Datum vaststelling: 24-10-2022


Definitie

Een gebied, nabij een te passeren kunstwerk en/of verkeerscentrale, waarin een schip zich moet (aan)melden of waar nautische informatie opgevraagd kan worden.
(vrij vertaald)


Codeerinstructies


Aandachtspunten

Een communicatie gebied kan worden gedefinieerd door verkeerstekens (CEVNI B.11 of E.23, zie O.3.1) of aan voorschriften. De grens van het communicatie gebied bij kunstwerken ligt ongeveer 1 tot 1,5 km aan beide zijden van de brug. (afhankelijk van de normale radarbereik)

Een gecodeerd communicatie-gebied kan worden geassocieerd betreffende objecten zoals de borden CEVNI B.11 of E.23 , sluis, brug enz.. met behulp van een verzameling object C_ASSO


Objectcodering

comare(A)
(M) COMCHA = [[XXXX];[XXXX];…]
(O) catcom = [1 (VTS centre), 2 (VTS sector), 3 (IVS point), 4 (MIB[DE]), 5 (sluis), 6 (brug), 7 (douane), 8 (havenautoriteit)]


Prioriteit uitgifte updates:
Dynamisch ( 2 uur – 7 dagen) / SemiDynamisch (2 weken-halfjaar) / Statisch (halfjaar-gepland)
Nauwkeurigheid : Grootschalige / Mediumschalige / Kleinschalige Topografie


Bijlagen


Referenties

Zie ook :  Q.2.1 Meldpunt

G.4.5 Sluisdeur

Datum vaststelling: 24-10-2022


Definitie

Een sluisdeur is een trek-, draai-, hef-constructie, dat de waterstand van een sluiskolk regelt.
(vrij vertaald ) .


Codeerinstructies

Zie vooral paragraaf G.4.3 Sluiskolk

 


Aandachtspunten

Voorbeeld: Werken met OLR waarden
De Sluis Weurt verbindt het Maas-Waalkanaal met de Waal (ter hoogte van kilometer 887).
De OLR-waarde op kilometeraai 887 volgens de tabel is  5,04 +NAP
De oude sluis (oost)-Drempelhoogte Waalzijde: 3,00 m. + NAP. Dat betekent dat de waterdiepte ter plekke van deze drempel gecodeerd moet worden met de waarde 2,04
De nieuwe sluis (west)-> Drempelhoogte Waalzijde: 1,50 m. + NAP. Dat betekent dat de waterdiepte ter plekke van deze drempel gecodeerd moet worden met de waarde 3,54
In de objectbeschrijving van Weurt  staat deze tekst :
“De drempel van de nieuwe sluis ligt zo diep (1,50 m.) om bij een lage Waalstand toch nog schepen te kunnen schutten met een diepgang van 3,5 m.”

Het ligt voor de hand om de 4 cm inderdaad niet mee te nemen, zodat:
De oude sluis (oost)- Waalzijde met een drempeldiepte (DEPARE) van 2,00 m wordt gecodeerd.  ( DRVAL1 = 2,00 en DRVAL2 = unknown )
De nieuwe sluis (west)- Waalzijde met een drempeldiepte (DEPARE) van 3,50 m wordt gecodeerd.. ( DRVAL1 = 3,50 en DRVAL2 = unknown )

In het INFORM attribuut wordt de OLR-waarde verklaard, bv “OLR kmr. 887 =  5,04 +NAP

In de ENC header wordt bij OLR verdat 38 als sounding datum gecodeerd.
In editie 2.4 is LAT[23] en OLW[45] opgenomen als verdat. 

Bij hefdeuren gelden de zelfde regels als bij doorvaarthoogte bij bruggen.
zie Doorvaarthoogte paragraaf  G.1

Bij hefdeuren kan het attribute ‘unlocd’ worden ingevuld met de zogenaamde ISRS location code (ISRS, International Ship Reporting Standard). De lijst met beschikbare ISRS-codes , de zogenaamde RIS-index, wordt onderhouden door RWS/CIV
zie ook uitleg ISRSLocation codes & de RIS index in Nederland


Objectcodering

gatcon , C_AGGR(), DEPARE


Prioriteit uitgifte updates:
Dynamisch ( 2 uur – 7 dagen) / SemiDynamisch (2 weken-halfjaar) / Statisch (halfjaar-gepland)
Nauwkeurigheid : Grootschalige / Mediumschalige / Kleinschalige Topografie


Bijlagen


 

G.4.4 Sluisdeelkolk

Datum vaststelling: 24-10-2022


Definitie

Een sluiskolk wordt soms opgegedeeld. (o.a. i.v.m watermanagement). Een sluisdeelkolk is een aan weerszijden afsluitbare dok (bak), waarin door aanpassing van het waterpeil, schepen van het ene op het andere niveau worden gebracht.
(vrij vertaald ) .


Codeerinstructies

Zie vooral paragraaf G.4.3 Sluiskolk


Aandachtspunten

Het attribute ‘unlocd’ moet zijn ingevuld met de zogenaamde ISRS location code (ISRS, International Ship Reporting Standard). De lijst met beschikbare ISRS-codes , de zogenaamde RIS-index, wordt onderhouden door RWS/CIV
zie ook uitleg ISRSLocation codes & de RIS index in Nederland


Objectcodering

lkbspt (A) , C_AGGR()


Prioriteit uitgifte updates:
Dynamisch ( 2 uur – 7 dagen) / SemiDynamisch (2 weken-halfjaar) / Statisch (halfjaar-gepland)
Nauwkeurigheid : Grootschalige / Mediumschalige / Kleinschalige Topografie


Bijlagen


Referenties

Wikipedia:

I.1.5 Vaarwegdiepte – projectdiepte

Datum vaststelling: 07-10-2015


Definitie

Gebied dat de vaargeul beschrijft waarvoor een onderhoudsdiepte is vastgesteld, zijnde  de de nautisch gegarandeerde diepte (NGD) bij een afgesproken laagwaterstand voor het betreffende gebied , bv LAT, OLW en OLR.

Codeerinstructies

 


Aandachtspunten

Een ENC dient een zo goed mogelijke weergave van de werkelijkheid te zijn. De gegevens in een ENC zijn altijd afkomstig van de assetmanager dus de vaarwegbeheerder. Het gaat erom dat de juiste diepte wordt opgegeven waarmee gevaren kan worden. Is deze lager dan de NGD, dan dient deze lagere waarde in de kaart te staan.

Objectcodering

DEPARE(A)
(M) DRVAL1 = [x.x] (meters), e.g., 2.7 or UNKNOWN


Prioriteit uitgifte updates:
Dynamisch ( 2 uur – 7 dagen) / SemiDynamisch (2 weken-halfjaar) / Statisch (halfjaar-gepland)
Nauwkeurigheid : Grootschalige / Mediumschalige / Kleinschalige Topografie


Bijlagen


Referenties

Zie ook :

G.1a Doorvaarthoogte informatie in de IENC

Definitie

De doorvaarthoogte in de IENC is de kleinste (veiligste) doorvaarthoogte van een overspanning over bevaarbaar water en wordt bepaald door de kleinste verticale afstand tussen de maatgevende hoge waterstand voor de scheepvaart (MHWS bij rivieren) of het streefpeil (bij o.a. kanalen) en de onderzijde van de overspanning bij volbelasting van de brug, die te allen tijde beschikbaar is voor de scheepvaart.

NB : Bij het publiceren van doorvaarthoogte informatie wordt de werkelijke waarde gebruikt, dus zonder veiligheidsmarge/schrikhoogte. Deze veiligheidsmarge is namelijk al meegenomen bij het ontwerp van de overspanning.
Let op: de doorvaarthoogte van hoogspanningsleidingen vragen wel een extra veiligheidsmarge e.e.a van de op de leiding staande spanningsgrootte.

Toelichting

Het is belangrijk om bij de bepaling van doorvaarthoogte rekening te houden met het bevaarbare deel onder de ( soms licht gebogen en of schuin aflopende ) overspanning. De begrenzing van de doorvaartwijdte kan met speciale brugmarkering zijn aangegeven, maar ook kan onder de overspanning de vaargeulbreedte zijn gemarkeerd. Deze begrenzingen worden meegenomen bij brugmetingen en zijn terug te vinden in de meetrapporten.
De Richtlijn Vaarwegen 2020 geeft bij een krap profiel ook een beschrijving van het bevaarbaar gedeelte bij een vaste brug. (paragraaf 5.4)

Om de (veiligste) doorvaarthoogte van een overspanning te bepalen is een meetrapport van de overspanning nodig plus het referentiewaterpeil ter plekke van de overspanning. Het meetrapport levert het absolute laagste punt (ALP) van de onderkant van de overspanning op. Het absolute laagste punt (ALP) en het referentiewaterpeil hebben beiden NAP als referentievlak.
De (veiligste) doorvaarthoogte informatie (VERCLR) wordt bepaald door  de waarde van het referentiewaterpeil af te trekken van  het absolute laagste punt (ALP) van de overspanning.
Voorbeeld : ALP brug 10.00m+NAP bij een streefpeil van 4.00m+NAP levert de (veiligste) doorvaarthoogte (VERCLR)  van 6.00 meter op.

Er zijn twee situaties te onderscheiden: de overspanning ligt over een vaarwater met een streefpeil of de overspanning ligt over een vrij stromende rivier al dan niet met getijdenwerking. Deze situaties worden hieronder afzonderlijk toegelicht.

Vaarwater met een streefpeil

Voor kanalen, gekanaliseerde rivier secties en meren zijn streefpeilen vastgelegd waarbij onderscheid gemaakt is tussen soorten peil, zoals “meerpeil”, “boezempeil”, “kanaalpeil”, “stuwpeil”.
Een streefpeil is een door de beheerder nagestreefd peil dat ook is vastgelegd is in de Waterakkoorden.
Een streefpeil kan negatief en positief afwijken door verschillende oorzaken, zoals : seizoensgebonden variaties: zomer- en winterpeil; opwaaiing door wind in de lengterichting van het kanaal; opzet als gevolg van de afvoer van regenwater en translatiegolven als gevolg van het legen van sluiskolken. Een afwijking van het streefpeil kan dus verschillend samengesteld zijn en vormt daarmee een grote onzekerheid bij het bepalen van een onder doorvaarthoogte.
Daarom is besloten om op vaarwater met een streefpeil het vastgelegde peil (waterakkoord) te gebruiken als referentiepeil voor het bepalen van de doorvaarthoogte.
Indien het vaarwater een zomer en winterpeil heeft, wordt het hoogste peil als referentiewaterpeil gebruikt.
De volgende peilen hebben een hoger zomerpeil : Amstelmeer boezempeil; Drontermeer en Veluwemeer; IJsselmeerpeil; Markermeerpeil; Stuwpeil Vechterweerd; Stuwpeil Vilsteren; Vollenhove Boezempeil.

Let op : In de VNDS database is volgens de handleiding  het winterpeil als streefpeil vastgelegd, dus check bij deze vaarwegen zeker de informatie uit de Waterakkoorden.

Vaarwater en bruggen (97) (cyan) met een hoog zomerpeil

Het bij een brug behorende streefpeil (waterakkoord) dient in de IENC verklaard te worden in het informatie attribuut van de aggregatie feature van een brug (C_AGGR).

Vrij stromende rivieren en estuaria met getijdenwerking of een combinatie daarvan bv het benedenrivierengebied  

Voor dit type vaarwater is de Maatgevende Hoge Waterstand voor de Scheepvaart ( MHWS) als referentiewaterpeil nodig om de (veiligste) doorvaarthoogte (VERCLR) te kunnen berekenen.
MHWS is de hoogste waterstand, waarbinnen de volledige functionaliteit van de vaarweg voor de scheepvaart beschikbaar is, zie de Richtlijn Vaarwegen 2020.

Belangrijk: De waarde van het referentiewaterpeil MHWS ter plekke wordt in het INFORM veld gezet, bv “MHWS = 1,00 m+ NAP “.

In de huidige Inland Ecdis standaard (IES 2.4) bleek het niet mogelijk om het MHWS / streefpeil plus de waarde daarvan te coderen bij een brug. Voor de editie IES2.5 heeft NL een change ingediend om deze missende attributen toe te voegen en dat is goedgekeurd:
• vcrlev om MHWS / streefpeil te duiden,
• vcrval om bijv. de MHWS-waarde van de brug te coderen.
De verwachting is dat april 2023 de IES2.5 standaard geldig wordt.
Dus op dit moment dienen deze twee attributen als tekst in het INFORM attribuut gecodeerd te worden.

Onderstaand figuur toont de noodzaak voor het opnemen van vcrval attribuut in de Feature Catalogue.



NB Bij hoogspanningsleidingen  dient deze MHWS verklaring in het  informatie attribuut van de kabel feature (CBLOHD) te worden vastgelegd.

Gebruikte bronnen voor het bepalen van de MHWS waarden bij bruggen (2017):

  • Het rapport “Corridoranalyse containerhoogte” [juli 2015] bevat MHWS waarden van vaste bruggen op de hoofdvaarwegen.
  • Voor het benedenrivieren gebied geldt het “grenspeil” als MHWS waarde. RWS WestNederlandZuid heeft voor de waterstandstations in dit gebied deze Grenspeilen RMM RWS WNZ vastgelegd. Diverse bruggen liggen niet altijd direct bij een waterstandstation. in dat geval is op basis van de afstanden tussen de brug en waterstandstations een MHWS waarde van de brug bepaald.
  • In alle andere gevallen is “de verhoogde waterstand” uit de waterinfo.nl gebruikt. zie dit voorbeeld met detail informatie

Verticale Datum IENC (verdat)
De verticale datum ( het referentievlak ) wordt per IENC vastgelegd in de “header” van de cel. De mogelijkheden voor het coderen van verdat bij onderdoorvaarthoogte informatie zijn: bij de gemiddelde waterstand (33 Local mean water reference level) of 43 (Dutch High Water Reference Level (MHW). Mocht een brug in dezelfde IENC gecodeerd zijn, waarbij deze brug over een aansluitende vaarweg ligt met een afwijkend referentievlak, dan is het nodig het verdat attribuut te coderen, tenzij deze dit afwijkend referentievlak als gebied (vlak) als meta informatie van een IENC is vastgelegd (zie C.1.5). Dit kan voorkomen op een kruising waar een kanaal (streefpeil) aansluit bij een rivier (MHWS). Bijv. aansluiting Twentekanaal – Gelderse IJssel.

Statische versus dynamische doorvaarthoogte informatie

Diverse RIS functies, zoals bijvoorbeeld reisplanning in een rivierengebied, gaat men mogelijk anders om met doorvaarthoogte informatie. In plaats van publicatie van de statische (veiligste) doorvaarthoogte informatie kan gewerkt worden met actuele waterstanden.
Dit verschil van benadering wordt in het figuur hieronder verklaart. Zie eventueel figuur uitvergroot

Zichtbaarheid en extra informatie over het profiel van de brug kan worden verkregen door gebruik te maken van het picture attribuut:  PICREP

U.1.1 Maximaal toegestane afmetingen

Datum vaststelling: 07-10-2015


Definitie ( vrij vertaald  )

Vaarweg(deel)gebied waarvoor een wettelijke regeling met betrekking tot de maximaal toegestane afmetingen schip bestaat.


Codeerinstructies

Maximale afmetingen dienen gecodeerd te worden, indien voor een bepaald vaarweg(deel)gebied regelgeving met betrekking tot de maximaal toegestane afmetingen van het schip bestaat.

zie ook algemene instructie  U.

EG codeerinstructie:  u-1-1-maximum-permitted-ship-dimensions


Aandachtspunten

Bron voor deze informatie is wetten.overheid.nl
De tekstuele broninformatie moet omgezet worden naar gebiedsinformatie, waarbij eventueel reeds bestaande geometrie hergebruikt kan worden, b.v.: FAIRWY (I.1.4), wtware (L.3.1).

Sluiskolken ( G.4.3) kunnen ook maximaal toegestane afmetingen hebben.
Soms meerdere soorten afmetingen. bv Belfeld en Sambeek. In dat geval wordt het lockbasin gebied tweemaal hergebruikt.

NB de maximale toegestane afmetingen wordt als netwerkinformatie ook aangeboden via vaarweginformatie.nl. Deze informatie kan verouderd zijn; het is daarom raadzaam de benodigde informatie te betrekken van  wetten.overheid.nl .

Zie ook het RPR   artikel 11.2 voor Bovenrijn, Waal en Nederrijn

Voorbeeld van uitwerking
De Maximaal Toegestane Afmetingen worden als een vlal ( polygoon) vastgelegd. Veelal kan dezelfde geometrie gebruikt worden die gebruikt wordt voor het vastleggen van de vaargeul (FAIRWY). Het aantal attributen is groot. Ook zijn er veel mogelijkheden om de attributen te vullen ( zie Feature Catalog). Het coderen geschiedt per type beperking.
Hieronder als voorbeeld een uitwerking voor de Waal. De Waal valt onder het RPR gebied.
In dit voorbeeld zijn drie lagen gecodeerd. Twee hebben betrekking op zesbaks duwvaart en één voor een schip in het algemeen.


Objectcodering

lg_sdm(A)


Prioriteit uitgifte updates:
Dynamisch ( 2 uur – 7 dagen) / SemiDynamisch (2 weken-halfjaar) / Statisch (halfjaar-gepland)
Nauwkeurigheid : Grootschalige / Mediumschalige / Kleinschalige Topografie


Bijlagen


Referenties

G.1b Doorvaartbreedte informatie in de IENC

Definitie

De doorvaartbreedte van bijv. een brug in de IENC , is de beschikbare  breedte voor veilige navigatie. Dit kan al dan niet hetzelfde zijn als de totale fysieke breedte van de doorvaart opening.

Toelichting

Het is belangrijk om bij de bepaling van doorvaartbreedte rekening te houden met het bevaarbare deel onder de ( soms licht gebogen en of schuin aflopende ) overspanning. De begrenzing van de doorvaartbreedt kan met speciale brugmarkering zijn aangegeven, maar ook kan onder de overspanning de vaargeulbreedte zijn gemarkeerd. Deze begrenzingen worden meegenomen bij brugmetingen en zijn terug te vinden in de meetrapporten.
De Richtlijn Vaarwegen 2017 geeft bij een krap profiel ook een beschrijving van het bevaarbaar gedeelte bij een vaste brug. (paragraaf 5.4)

Zichtbaarheid en extra informatie over het profiel van de brug kan worden verkregen door gebruik te maken van het picture attribuut:  PICREP